Artikelen in deze sectie
2601 storing
Melding
Flow storing
Te controleren
- Controleer de flow zowel primair als secundair. Controleer de flow sensor en pomp op werking.
- Start het ontluchtingsprogramma om de pomp te controleren. Zet SW1-8 ON en zet hierna SWS1 naar Local. De pomp in het buitendeel zal gaan draaien. Ontlucht zo veel mogelijk, minimaal 5 minutenmet SWS1 kan de pomp in en uit geschakeld worden. Met Maintenance tool kan de flow van pomp 1 gecontroleerd worden. Zet SW1-8 OFF en zet hierna SWS1 naar OFF.
- Pomp defect:, wel aansturing uitgelezen op MN-tool maar geen flow gemeten door flow sensor. Pomp draait niet (geen geluid van pomp).
- Flowsensor defect; geen flow aangegeven in MN-tool. Pomp draait wel
- Obstructie in leidingen of TSA, lage flow gemeten bij volle opening MVW1 en 100% pompsturing.
- Controleer bij bovenstaande problemen onderstaande bij punt 6.
- Het kan voorkomen dat het powerboard defect is en niet de juiste voltage uitstuurt naar de pomp. Controleer hiervoor de stappen zoals aangeven bij 'Controle pomp'.
Controle pomp
Voer tijdens de proefdraai een ontluchtingsprocedure uit en volg onderstaande stappen om vast te stellen of de storing wordt veroorzaakt door de pomp of door de printplaat (power board).
1. Controleer de spanning op connector CNMF van de printplaat
Meet de volgende spanningen:
- CNMF (pinnen 1 en 4): controleer of de motorspanning voor de pomp (280 V) aanwezig is.
- CNMF (pinnen 4 en 5): controleer of de voedingsspanning voor de pomp-inverterprint (15 V) aanwezig is.
- CNMF (pinnen 4 en 6): controleer of het toerentalsturingssignaal (6 V) aanwezig is.
2. Controleer connector CNXA1 als de spanningen bij stap 1 ontbreken. Meet de volgende spanningen:
- CNXA1 (pinnen 3 en 4): controleer of het toerentalcommando van de pomp (5 V) wordt aangeboden.
- CNXA1 (pinnen 1 en 4): controleer of de opstartspanning voor de microcontroller (5 V) aanwezig is op de printplaat.
3. Controleer connector CND als de spanningen bij stap 1 ontbreken. Meet tussen pinnen 3 en 5. Controleer of de juiste spanning aanwezig is:
- 219 V bij een voedingsspanning van 385 V
- 230 V bij een voedingsspanning van 400 V
- 239 V bij een voedingsspanning van 415 V
4. Controleer op lucht in het systeem. Wanneer bij bovenstaande controles geen afwijkingen zijn gevonden:
- Luister naar de pomp en controleer op geluiden die kunnen wijzen op luchtinsluiting (lucht aanzuigen of borrelen). Controleer tevens op trillingen van de pomp.
- Indien geen afwijkende geluiden of trillingen worden waargenomen, controleer dan installatiegerelateerde oorzaken. Blijft de storing aanwezig, vervang dan de pomp.
Let op: Voordat de pomp wordt vervangen, dient het systeem volledig ontlucht te zijn en moeten mogelijke installatie-gerelateerde oorzaken zijn uitgesloten.